Column / Schrijven als revolte

© Jasmine Latka - ‘As I Disappear’

In haar reeks columns verkent Anne Ballon de taal als voertuig van verlangen en erotiek, telkens door het perspectief van een andere feministische denker. Deze keer duikt ze in het radicale oeuvre van Kathy Acker — punkicoon, plagiarist en literaire rebel — en verkent hoe haar werk de conventies van literatuur en identiteit uitdaagt.

Enkele jaren geleden probeerde ik al het werk van Kathy Acker (1947-1997) te lezen, maar pas afgelopen zomer — na het lezen van Philosophy for Spiders: On the Low Theory of Kathy Acker (2021) van McKenzie Wark — begon ik Acker en haar werk beter te begrijpen. Wie onbezonnen aan het oeuvre van dit onverschrokken, avant-gardistisch punkicoon begint, kan zich aan een bevreemdende reis verwachten. Acker was een ongeëvenaarde outsider in de literaire wereld, die vooral actief was binnen de New Yorkse kunstscène en ook performance kunst en sekswerk deed. Haar werk heeft de laatste jaren een revival en verwerft steeds meer internationaal succes.

“Acker gooide alle regels van de literatuur overboord en mengde autobiografie met fictie, pornografie met theorie, hoge cultuur met lage, en gebruikt veelvuldig plagiaat.

Acker gooide alle regels van de literatuur overboord en mengde autobiografie met fictie, pornografie met theorie, hoge cultuur met lage, en gebruikt veelvuldig plagiaat. Ze zette de mannelijke canon naar haar hand door bijvoorbeeld in haar Great Expectations (1982), de verhaallijn van het gelijknamige boek van Charles Dickens uit 1860 gedeeltelijk te kopiëren. Maar Acker maakte van de hoofdpersoon Pip een meisje in plaats van een jongen en voegde autobiografische en pornografische elementen toe. Ze zei hier zelf over: ‘Plagiarism is necessary. Progress implies it. It holds tight an author’s phrase, makes use of his expressions, erases a false idea, and replaces it with the right idea.’ 

Op deze manier dagen haar teksten het concept ‘waarheid’ uit en confronteert ze de lezer met de gekunsteldheid van de literatuur. Haar werk voelt aan als een daad van verzet tegen de heersende structuren, zowel binnen de literatuur als daarbuiten. Met het vertellen van haar erotiek vanuit een vrouwelijk standpunt, biedt Acker bovendien een tegengewicht voor de mainstream pornografie die vertrekt vanuit mannelijke verlangens. 

Acker aanschouwde haar eigen succes met gemengde gevoelens en voelde zich naar eigen zeggen ‘gefetisjeerd’. Ze bekritiseerde een fenomeen dat we vandaag de dag nog steeds zien: vrouwen worden vaak beoordeeld op om wie ze zijn en hun privéleven. Er wordt zo volledig voorbijgegaan aan wat ze effectief hebben gedaan, of het werk of de kunst die ze hebben gemaakt. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vraag in welke mate autofictie door vrouwen auto en fictie is. Journalisten, recensenten en interviewers blijven oeverloos redeneren over het ja dan wel nee van eventuele autobiografische elementen, waardoor de literaire waarde van het werk ondermijnd wordt. Het lijkt een methode die de waardering van het werk van vrouwen an sich omzeilt.

In haar oeuvre speelde Acker voortdurend met identiteit. In zowel haar persoonlijke leven als in haar literaire werk daagde ze dit idee van een unitaire ‘ik’ uit en onderzocht ze — onder andere door het gebruik van plagiaat — de illusie en constructie van identiteit. Ze had als het ware verschillende ‘ikken’ die in elkaar overvloeiden of met elkaar in conflict gingen.

“Naast  plagiaat gebruikte Acker nog een onconventionele techniek om de klassieke aard van taal en schrijven onderuit te halen: ze masturbeerde tijdens het schrijven om in contact te komen met haar onderbewustzijn.”

Naast  plagiaat gebruikte Acker nog een onconventionele techniek om de klassieke aard van taal en schrijven onderuit te halen: ze masturbeerde tijdens het schrijven om in contact te komen met haar onderbewustzijn. Deze methode verbond haar met lichamelijke instincten en doordrong haar teksten met de hoogtes en laagtes van de eros. In Bodies of work (1996) beschreef ze dit zelf als een zoektocht naar een andere manier van spreken: ‘I have become interested in languages which I cannot make up, which I cannot create or even create in: I have become interested in languages which I can only come up upon (as I disappear), a pirate upon buried treasure. The dreamer, the dreaming, the dream. I call these languages, languages of the body.’  

Ik kan niet stoppen met denken aan taal en diens verstrengeling met verlangen. Ik kan me niet ontdoen van het idee dat het zoeken naar de juiste taal, de juiste verwoording, lijkt op hetgeen waar we naar op zoek gaan in seks. In beide gevallen zoeken we een onbekend exces, iets ultiems, dat — hoe goed de seks die je hebt of de tekst die je schrijft ook is — enkel als idee bestaat, altijd net buiten bereik. Een afgewerkte tekst – wat ‘afgewerkt’ ook mag betekenen – is, net zoals een orgasme, een vorm van teleurstelling of verlies: een val uit de opwinding van het proces. 

Schrijven begint met openen, het willen binnenlaten, ontvangen.

Onlangs, in een volle zaal in het Paleis van Schone Kunsten in Brussel, beschreef Nobelprijswinnaar en schrijver Olga Tokarczuk taal als het mes en vork om de realiteit te verteren. De interviewer Annelies Beck stelde Tokarczuk voor een dilemma: sciencefiction of de historische roman? Hangt af van het maatschappelijke klimaat, volgens Tokarczuk en verklaarde daarna dat ze tegenwoordig sciencefiction leest. 

“Goede sciencefiction schetst een toekomst die geworteld is in de realiteit en stelt ons in staat om andere vragen te stellen over de wereld waarin we leven.

Sciencefiction is net als autofictie al enkele jaren aan een opmars bezig. De (her)opleving van deze genres is geen kwestie van een toevallige trend, maar een logisch gevolg van de angstige tijden waarin we leven. Goede sciencefiction schetst een toekomst die diep geworteld is in de realiteit en stelt ons in staat om andere vragen te stellen over de wereld waarin we leven. Het genre zet aan tot reflectie over hoe onze beslissingen en onderlinge relaties de toekomst vormgeven. Autofictie daarentegen komt voort uit een groeiend bewustzijn van (gender)ongelijkheid. Hierdoor voelen meer vrouwen, queer-personen en andere gemarginaliseerde groepen de noodzaak om (semi)persoonlijke verhalen te vertellen.

Hedendaagse literaire trends weerspiegelen de behoeften die de huidige wereld ons oplegt. Schrijvers fungeren als doorgeefluiken van indrukken, ideeën en sensaties — ze absorberen, verwerken en geven ze vervolgens weer vrij.

Ackers revival is, net als die van sciencefiction, niet verrassend. In een wereld waarin we steeds meer de zeggenschap over (onze) lichamen kwijtraken, hebben we schrijvers als Acker nodig, denkers die de status quo omverwerpen. We hebben inspiratie nodig om buiten de kaders te denken, of misschien gewoon afleiding van onze machteloosheid. Noem het escapisme, maar misschien is het hoop.


Anne Ballon (zij/haar) woont in Brussel, filmt, schrijft en leest. Ze werkt rond seks, en onderzoekt de spanningen tussen verlangen, consent, trauma en heteronormativiteit. Anne is deel van het schrijvers- en kunstenaarscollectief Hyster-X. 


Jasmine Latka (she/her) is a visual artist and designer based in Leeds, UK. Her collage and text-based works reclaim space for femininity and pleasure within contemporary culture. An alumna of the British Film Institute Academy, Jasmine brings a cinematic sensibility to crafting intimate narratives. (Website)

Volgende
Volgende

Eating the World, Not Myself