Poëzie als wrakhout
Daan Krahmer, docent en schrijver, onderzoekt in zijn essay de rol van poëzie in het onderwijs en de maatschappij, en reflecteert op de waarde van literatuur in een tijd van mentale uitdagingen en ontlezing. Hij deelt zijn persoonlijke ervaringen met leerlingen en poëzie, en pleit voor een vernieuwde benadering van poëzieonderwijs als middel voor emotionele verwerking en verbinding.
Het gebeurde tijdens de pauze van een hoorcollege, in de glazen kubusvormige bibliotheek in het faculteitsgebouw van de lerarenopleiding. De vinger van Gijs ging in een rechte lijn over de ruggen van boeken. ‘Dit moet je lezen’, riep hij energiek. ‘Echt!’ Gijs was niet de eerste docent die me een boek aanraadde, maar wel de eerste naar wie ik écht luisterde. Op die plek, op die dag, kwam mijn liefde voor lezen terug. Gijs had gelijk over de gedichten van Shakespeare.
Nu zijn de ramen van de bibliotheek zwart, als een gesloten winkelstraat op nieuwjaarsdag. Ik leg mijn hand op het glas en kijk naar binnen. Nee, dit is niet zoals ik me deze plek herinner. De lege computertafels, boekenkasten zonder boeken. Ik kom een docent filosofie tegen, die me zijn werkkamer laat zien. Honderden boeken liggen, als drenkelingen, door de ruimte verspreid. ‘Belachelijk, toch?’ zegt hij nee-schuddend. Hij maakt een klakkend geluid met zijn tong. ‘De directie dacht: niemand leest meer, dus is de bibliotheek maar opgeheven. Deze boeken kon ik nog redden.’ Ik kijk naar boeken op de vensterbank, de stapels voor de verwarming, achter de muismat. Spinoza en Aristoteles liggen erbij als wrakhout.
Het verdwijnen van de bibliotheek in de lerarenopleiding is een weerspiegeling van een bredere maatschappelijke verandering. Een derde van de Nederlandse leraren leest nooit een boek. Evenveel jongeren lopen het risico om laaggeletterd het onderwijs te verlaten. Ruim tweeënhalf miljoen mensen in Nederland halen het basisniveau lezen niet. Dat zijn er een miljoen meer dan vijftien jaar geleden.
Docent Anne Steenhoff, werkzaam op basisschool Happy Kids in Utrecht, ziet laaggeletterdheid als probleem met maatschappelijk ontwrichtende gevolgen, ook op de langere termijn. ‘Laaggeletterdheid maakt mensen kwetsbaar,’ schrijft Steenhoff in Een Lui Letterland (2024). ‘En laaggeletterdheid leidt tot meer polarisatie, minder empathie, loopt eerder uit op radicalisering en is daarbij ook nog eens heel erg duur.’ Stichting Lezen en Schrijven schat de maatschappelijke kosten van laaggeletterdheid op een miljard euro per jaar. Er is echter debat over in hoeverre dit problematisch is.
‘Wat is er eigenlijk zo problematisch aan de ontlezing?’ vraagt een docent Nederlands in het Parool. ‘Het is geen probleem dat kinderen steeds minder goed kunnen lezen’, stelt een publicist in Trouw. ‘Het leven van onze kinderen is enorm veranderd en de tijd dat kinderen stapels boeken lazen is gewoon voorbij’, vertelt een schoolbestuurder in AD. De schoolleider beschouwt lezen als nutteloos: ‘We moeten jongeren de dingen leren die ze nu nodig hebben, niet die ze vroeger nodig zouden hebben gehad.’
‘Nederlandse literatuur- en leesonderwijs: op de havo daalde het aantal uren voor boeken lezen van 298 naar 140 uur, en op het vwo bleven slechts 168 van de oorspronkelijke 488 literatuur-uren over.’
Vroeger, dat kleeft vaker aan lezen vast. Lange tijd is lezen in het onderwijs afgebouwd. Twee dagen voor de beëdiging van kabinet Kok-II in 1998 ging de Tweede Fase in, een grote onderwijshervorming met nieuwe regels voor studielast, vakkenpakketten en inhoudelijke criteria voor examenprogramma’s. Onderdeel van deze hervorming was de bezuiniging op het Nederlandse literatuur- en leesonderwijs: op de havo daalde het aantal uren voor boeken lezen van 298 naar 140 uur, en op het vwo bleven slechts 168 van de oorspronkelijke 488 literatuur-uren over. Die overgebleven tijd wordt niet besteed aan deep reading van romans en gedichten. In plaats daarvan lijkt begrijpend lezen de norm, een onderwijsmethode gebaseerd op wat psychologen Philip Gough en William Tunmer in 1986 omschreven als The Simple View of Reading.
‘Laagdrempeligheid is een dominant discours geworden,’ ziet schrijver Joost de Vries. In de essayistische zoektocht Echte pretentie (2019) onderzoekt hij de Nederlandse weerstand tegen kunst, cultuur, romans en poëzie. De Vries spreekt over een dubbele maatstaf: het is laagdrempelig om veel te weten over voetbal en katten, maar wie veel over romans en gedichten weet, wordt al snel gezien als pretentieus.
Over veel onderwerpen spreek ik zo open als een boek, voorzichtiger ben ik over mijn liefde voor boeken. Ik ben eind twintig en veel van mijn vrienden lezen niet. Als ik enthousiast over een boek vertel, kijken leeftijdsgenoten me glazig aan, alsof mijn leven naar een kringloopwinkel ruikt. Juist in een tijd van ontlezing ervaar ik de waarde van lezen.
‘Meneer! Dit is het meest nutteloze, ever!’ Tijdens de mentorles krijgt een sociale leerling met gevoel voor mode het woord. Hij heeft een klacht over de les Nederlands waar poëzie wordt behandeld. ‘Hier heb ik niets aan, later. Waarom krijgen we hier les over?’ Voor ik de kans krijg mijn gedachten te ordenen, hoor ik een langgerekte ‘jááááááááá’ vanaf de andere kant van het klaslokaal. Bonk-bonk-bonk. Een leerling klopt op tafel. Dan slaat de toon van de jongen, die ik waardeer om zijn haast uitsluitend luchtige en humoristische manier van praten, om in iets dat klinkt als… afgunst?
‘Dit is interessant voor een heel gelimiteerd groepje. We zouden het niet op school moeten krijgen. Ik kan me gewoon niét voorstellen dat we het nog nodig gaan hebben in ons leven. Als dít is waarvoor wij leerplicht hebben…’
Dichter en NRC-columnist Ellen Deckwitz herkent de weerstand die poëzie op kan roepen bij jongeren. In Dit gaat niet over grasmaaien (2021) schrijft Deckwitz over haar schoolbezoeken, waar poëzie bespreekbaar maken ook weerstand oproept. Natuurlijk roept poëzie weerstand op bij pubers, denk ik. Dit is mijn zevende mentorklas, ik ben bijna een decennium docent. Ieder schooljaar komt poëzie voorbij. Als onderdeel van Nederlands, Engels en geschiedenis. Ieder jaar is er die weerstand. Maar deze reactie, vandaag, hoor ik niet eerder. Vandaag zijn de leerlingen niet verontwaardigd, zoals Deckwitz schrijft. Ze zijn boos.
‘School is er natuurlijk niet alleen om het leuk te hebben’, vervolgt de jongen. ‘School is er ook om je voor te bereiden, op de toekomst, later. Niet iedereen heeft dezelfde interesses. Maar ook in het kader van breed opleiden denk ik dat poëzie gewoon té specifiek is. Poëzie is niet nuttig genoeg.’
Al maanden oordelen de leerlingen positief over de docente Nederlands, die hen poëzie doceert. En deze groep leerlingen houdt bovengemiddeld van cultuur: ze luisteren naar hiphopteksten, spelen in theatervoorstellingen en kiezen voor het vak tekenen als onderdeel van een vakkenpakket Cultuur & Maatschappij. De reactie verbaast omdat deze vierde klas vaak introvert en stil is. De leerlingen hebben niet zo snel ergens een sterke mening over.
Deze les roept een vraag op: hoe kan het dat deze leerlingen geïrriteerder reageren op een les poëzie dan op de aankondiging van een telefoonverbod op school? Dan slaat de twijfel toe. Is het wel verstandig hier serieus op in te gaan? Dadelijk sta ik bekend als de pretentieuze mentor. De leraar die bij het heel gelimiteerde groepje hoort dat tijdens de vakantie dichtbundels leest. Misschien hebben de leerlingen gelijkenis onze samenleving de fase van poëzie ontgroeid, zoals kinderen ooit kinderkleding ontgroeien.
Maar waarom blijven gedichten dan zichtbaar in de Nederlandse samenleving? Kamervoorzitter Martin Bosma opent een vergadering met gedichten van Gerard Reve, iets wat cabaretier Freek de Jonge wil bestrijden door krantenlezers op te roepen gedichten naar de voorzitter te sturen. Gedichten horen bij terugkerende feestdagen als Sinterklaas en Valentijnsdag. En bij herdenkingen, zoals de MH17 herdenking of de herdenking op 4 mei. Babs Gons is de Dichter des Vaderlands. Ieder jaar keert de Nacht van de Poëzie terug.
‘Lorde presenteert poëzie als het omgekeerde van ‘voor een heel gelimiteerd’ groepje: poëzie is juist laagdrempelig en toegankelijk.’
Misschien verwoordt Audre Lorde het beste waarom poëzie overal aanwezig lijkt. ‘Van alle kunstvormen is poëzie de meest economische,’ schrijft ze in het essay Poëzie is geen luxeartikel (1985). Lorde presenteert poëzie als het omgekeerde van ‘voor een heel gelimiteerd’ groepje: poëzie is juist laagdrempelig en toegankelijk. Lorde beschrijft het als 'de kunstvorm die de minste fysieke arbeid vereist en het minste materiaal kost, die je kunt bedrijven tussen twee diensten door, in de ziekenhuiskeuken, in een ondergrondse, en op restjes papier.’
De leerlingen die poëzie als nutteloos beoordelen zijn geboren in 2010 of 2011. Geboren in de tijd waarin regering-Rutte/Verhage/Wilders besloot te bezuinigen op wat niet direct nuttig is. Zo werden kunst en cultuur nutteloos gemaakt. Joost de Vries schrijft hoe die bezuinigingen ‘meer dan ooit een tweedeling creëerden tussen wat voor iedereen belangrijk was en wat voor enkelen.’ Als iets niet voor velen is, dan is het voor enkelen, lijkt de boodschap van de politiek te zijn. Toch lijkt de afkeer die de leerlingen voelen over poëzie niet door de politiek te komen.
'Poëzie' en ‘poëzie als onderdeel van het vak Nederlands’ zijn namelijk niet hetzelfde. In het vakboek dat Nederlandse docenten aangeboden krijgen op lerarenopleidingen, het Basisboek Literatuur, worden docenten Nederlands aangemoedigd om op een specifieke manier poëzie te doceren. Het Basisboek Literatuur onderwijst hoe gedichten onder te brengen in categorieën. Het boek gaat over hoe je soort een gedicht herkent, benoemt en categoriseert, en gaat onder andere dieper in op de typografische kenmerken, syntactische stijlfiguren en semantische lagen. Zo wordt de kunstvorm meet- en toetsbaar. Geef leerlingen een gedicht en ze kunnen na één les een syntactische stijlfiguur herkennen. De docent kan controleren of leerlingen weten wat een syntactische stijlfiguur is. Maar wat leren leerlingen over poëzie als ze een syntactische stijlfiguur kunnen herkennen?
Het onderwijs mag dan duidelijk en meetbaar zijn geworden, die duidelijkheid lijkt enkel een illusie van grip te geven. Veel jongeren ervaren weinig grip. De Amerikaanse wetenschapper Jonathan Haidt heeft een nieuwe naam voor de jongste generatie verzonnen: The Anxious Generation (2024). Haidt laat met onderzoeken zien dat de huidige generatie leerlingen aanzienlijk meer mentale problemen ervaart. Ook in Nederland neemt het mentale welbevinden van jongeren af, zo blijkt uit zorgelijke berichten. Eind januari blijkt uit de Gezondheidsmonitor dat de helft van de jongeren van de jongvolwassenen, de leeftijd tussen de 16 en 25 jaar, de eigen mentale gezondheid niet goed vindt. Jongeren ervaren meer angst, meer somberte, meer eenzaamheid.
Lezen — van romans en gedichten — kan helpen tegen eenzaamheid en isolatie. Anne Steenhoff schrijft in Een lui letterland: ‘wat je minder hoort maar wellicht net zo belangrijk is, lezen helpt tegen eenzaamheid’. Steenhoff vindt de Amerikaanse schrijver James Baldwin aan haar zijde. Ook Baldwin zag in lezen een remedie tegen eenzaamheid: ‘Je denkt dat jouw lijden uniek is in de geschiedenis van de wereld. Tot je begint te lezen.’
In een tijd waarin jongeren worstelen met mentale problemen, kan het nutteloos-geachte weer van waarde zijn. Lezen en schrijven kunnen jongeren helpen om te gaan met mentale moeilijkheden, met gevoelens van somberte en eenzaamheid. In Sister Outsider (1984) denkt Audre Lorde dat dat inderdaad kan. Lorde omschrijft poëzie als een geschikt en laagdrempelig middel om met de ‘steenharde ervaringen in het dagelijks leven’ om te gaan. Poëzie kan ‘ons aanleren onze gevoelens te respecteren en ze over te brengen naar een taal om ze te kunnen delen’, schrijft Lorde. ‘En daar waar die taal er nog niet is, is het onze poëzie die helpt haar in het leven te roepen.’
Poëzie lijkt zo een geschikt middel om ervaringen om te zetten in taal. Zodra een ervaring omgezet is in taal, kan ze met anderen gedeeld worden. ‘Poëzie moet het onzegbare uitdrukken’, schrijft Yke Schotanus in Dichten doe je zo (2010). ‘De dichter zegt niet gewoon wat hij bedoelt’, zegt Ellen Deckwitz. ‘De dichter zegt precies wat hij bedoelt.’ Dat ervaarde de dichteres zelf ook. ‘Doordat ik opeens kon verwoorden waar ik mee zat’, schrijft ze, ‘kon ik het ook beter verwerken.’
‘Er kan ook gekozen worden om poëzie zinvol te maken. Poëzie kan leerlingen helpen om te praten over ervaringen. Ervaringen waar ze de geschikte taal nog niet voor hebben gevonden.’
Het lijkt een keuze om poëzie in het onderwijs meetbaar te maken door leerlingen te stimuleren om typografische kenmerken te herkennen. Er kan ook gekozen worden om poëzie zinvol te maken. Poëzie kan leerlingen helpen om te praten over ervaringen. Ervaringen waar ze de geschikte taal nog niet voor hebben gevonden. En misschien kan het anders doceren van poëzie – waarbij leerlingen poëzie leren schrijven – een oplossing zijn voor jongeren die zich mentaal niet goed voelen. Op die manier kan poëzieonderwijs een middel zijn om inzicht te geven in menselijke emoties, ook de gevoelens die niet meteen nuttig lijken, zoals somberte en eenzaamheid. En misschien is poëzie niet onmiddellijk nuttig, maar kan het wel zinvol zijn.
Het is zes weken later en er is weer een mentorles. Ik denk weer aan de boosheid die poëzie bij mijn leerlingen opriep. Ik vraag de leerling die het woord nam of hij nog eens wil praten over poëzie. Na mijn les blijft de jongen hangen. Hij legt zijn rugzak op de grond. Legt een hand op tafel en leunt met zijn onderarm op de rugleuning. Herinner je je die les nog, vraag ik hem. Hij knikt en lacht verlegen. ‘De toon was inderdaad wel wat fel en geïrriteerd’, zegt hij. ‘Ik kwam wel echt speciaal klagen.’
Ik probeer te luisteren, stel verduidelijkende vragen aan de leerling. ‘Je bent niet zo’n fan, begrijp ik? Wat is het selecte groepje? Wat vind je nuttig?’
‘Dat klagen ging over het feit dat we poëzie krijgen op school’, zegt de leerling. ‘Ik werd er wel een beetje boos van. Er wordt heel veel van ons verwacht. We moeten om negen uur op school zijn, weet je wel? Krijg je uitleg over een… strofe. We hadden er zelfs een toets over. Het is iets voor zo’n klein groepje. Kijk, bij economie leer je over financiën en zo. Ik had laatst mijn loonstrookje opgevraagd en ik kon het helemaal ontleden en begrijpen, zo kon ik zien of ik geld terugkreeg. Dat weet ik tenminste zeker: hier heb ik later iets aan.’
Ik knik, kijk hem aan. ‘Als je zelf mocht bepalen wat je op school voor les zou krijgen, wat voor onderwijs zou je dan nodig hebben?’ vraag ik.
Hij kijkt even voor zich uit, als over een uitgestrekt strand. Schudt met zijn hoofd om een iets te lange bruine haarlok uit zijn zichtveld te halen en begint dan te vertellen.
‘Dat weet ik wel’, zegt hij.
‘Kijk. Ik was laatst met vrienden in Warschau, en met school was ik in Londen. Het zit zo in iedereens systeem: als je klaar bent met Snappen, dan swipe je naar TikTok. Daar denk je niet eens meer bij na, dat gebeurt gewoon. Iets meer bewustwording hierover zou wel goed zijn.’
Hij valt even stil. En dan zegt hij:
‘En er zijn best veel mensen die iemand kennen die zich mentaal niet goed voelt, of iets in die richting. En ze weten niet wat ze ermee moeten.’
Een andere vorm van poëzieonderwijs kan leeftijdsgenoten helpen. Poëzie als wrakhout. Het ligt stil op een uitgestrekt strand. Je kan ernaar kijken, het laten liggen. Maar je kan het hout ook bij elkaar sprokkelen en hergebruiken, een nieuwe functie creëren voor het aangespoelde. Er een meubel van maken, een boomhut. Een vlot, zodat je blijft drijven als het water komt.
Daan Krahmer (1994) is docent en schrijver. Daan schrijft over muziek, onderwijs en geschiedenis, het vak dat Daan onderwijst. In 2022 was Daan finalist ‘geschiedenisdocent van het jaar’, een initiatief van het Rijksmuseum, NTR en het Nationaal Archief.