De kerk en haar etalage 

© Jaap Blankespoor.

In dit kortverhaal onderzoekt Jaap Blankespoor de beklemmende wereld van zijn streng religieuze jeugd en de impact daarvan op individuele expressie. De kerk en haar etalage is een indringende metafoor voor een gemeenschap waarin persoonlijke lichten gedimd worden door opgelegde structuren en dogma’s.

‘Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,’ spreekt de dominee ernstig uit, terwijl hij met zijn hand over de opengeslagen Bijbel strijkt. ‘Mijn pad ten licht, om ’t donker op te klaren.’ Hij heft zijn hand omhoog en loopt naar de andere kant van de preekstoel. De felle TL-lampen belichten zijn gezicht van boven waardoor zijn haar door de schaduw nog zwarter lijkt; en zijn jukbeenderen cartoonachtig staan afgetekend.

‘Zongen jullie het mee, kinderen? Ja?’ Hij fluistert bijna. ‘Mag ik jullie dan iets vragen? Weten jullie ook wat het betekent?’ Met een snelle beweging duikt hij weer over de kansel. ‘Is de Bijbel als een licht in de duisternis voor jullie? Laat jij je door Zijn woord leiden? Of denk je dat je het allemaal zelf wel weet?’ 

Hij beweegt op eenzame hoogte. Boven hem reiken de zes meter lange orgelpijpen tot aan het plafond. Aan beide kanten van de preekstoel hangen twee houten borden waar de Psalmen en het Bijbelgedeelte met letters en cijfers door de koster bij elkaar zijn gepuzzeld. Links staat de katheder waar de ouderling het Bijbelgedeelte voordroeg; rechts de doopvont waar ik vroeger ben gedoopt. Een podium, de kleine kerkbanken daarop gevuld met ouderlingen en diakenen, allen met dezelfde aandachtige, maar bezorgde frons op hun gezicht. Het was tenslotte Heilig Avondmaal vanochtend.

“Mijn gehele jeugd in de kerk heeft één ding in de weg gestaan voor mijn ongeloof en dat was ‘het bekeerdendilemma’.”

Eens in het kwartaal staat over de gehele lengte van het podium een lange tafel met ongeveer vijfendertig stoelen. Op het witte tafellaken staan twee zilveren schalen met stolpen, waaronder reepjes wit brood in solide Jenga-torens zijn gestapeld. In het midden staat een grote zilveren schenkbeker gevuld met rode wijn en aan weerszijden eenzelfde, kleinere beker. 

Het laatste Avondmaal, dat ik voor mijn definitieve kerkverlating bijwoon, probeer ik compleet in mij op te nemen. Ik wil precies weten wat er gebeurt; wat men voelt. Of de dominee het dit keer anders aanpakt of dat hij wederom exact dezelfde trucjes uit zijn mouw schudt om een arme zondaar aan te trekken. 

Mijn gehele jeugd in de kerk heeft één ding in de weg gestaan voor mijn ongeloof en dat was ‘het bekeerdendilemma’. Zij moesten immers toch het levende bewijs zijn voor het bestaan van God; hoe konden zij anders aan het Heilig Avondmaal gaan? Zij moesten dan wel echt in Hem geloven, toch?

“Als bekeerde moet je het altijd doen lijken alsof ter plekke wordt ingegeven door God dat je aan mag en daar moet je, mocht je de ingeving laat doorkrijgen, ook een gepaste haast laten zien; alsof het je overkomt.”

De dominee giet de wijn over in de bekers. Hij doet het met een groots gebaar waardoor hij het voor alle vijftienhonderd mensen in de kerk zichtbaar maakt. Daarna breekt hij het brood in stukjes en wordt onder het zingen de tafel gezegend. Met een eerbiedige stem laat hij voor het eerst de nodiging voor het Heilig Avondmaal uitgaan. Hij wiebelt op de punten van zijn glimmende lakschoenen en kijkt met een afwachtende blik de gemeente in.

Ik speur dit keer met hem mee, op zoek naar nieuw potentieel: iemand met een ruimzittend zwart pak, een degelijke zwarte hoed of jurk, iemand met een nerveuze uitstraling of juist een zwaarwichtig gemoed.

Na een aantal minuten van geconcentreerde stilte, nemen de eerste en meest ervaren bekeerden hun verantwoordelijkheid door uit hun banken te komen. Als bekeerde moet je het altijd doen lijken alsof ter plekke wordt ingegeven door God dat je aan mag en daar moet je, mocht je de ingeving laat doorkrijgen, ook een gepaste haast laten zien; alsof het je overkomt. Vooral de verse bekeerden, ‘de zuigelingen,’ zoals de dominee hen noemt, snakken naar ‘moedermelk’ en komen dikwijls vluchtig en betraand, nog net voordat de tafel sluit, half-struikelend aan. 

“Het is uiteindelijk zien en gezien worden; je bent pas echt bekeerd als je het voor de hele gemeente hebt laten zien.”

Ogenschijnlijk hadden ze er zelf geen rekening mee gehouden, maar hun pikzwarte kledij verraadt anders. Hoewel onze gemeente valt onder ‘de zwarte kousen kerk’, is het geen vereiste om als kerkganger in het zwart naar de kerk te gaan. Op het moment dat de kledij de binnenwereld weerspiegelt, is ergens de drama er ook vanaf; zij hadden zelf namelijk rekening gehouden met dit scenario. Het is uiteindelijk zien en gezien worden; je bent pas echt bekeerd als je het voor de hele gemeente hebt laten zien. 

Er moeten momenten zijn geweest waarop een zuigeling dacht dat hij werd geroepen en vlak voor het opstaan, iemand anders snikkend de bank uit zag schieten en vervolgens ietwat vertwijfeld moest concluderen dat het dit keer niet voor hem was. 

Er staat een lange rij voor de ijssalon. Het is koopavond. Op het terras schuin tegenover klinkt hard gejoel. Naast de sexshop zie ik de grote etalage van de lampenwinkel, schaars gevuld met een mix van verschillende lampen: nachtkastlampjes, een tafellamp, een paar grote hanglampen en een leeslamp. De verschillende stijlen van de poten passen niet bij elkaar; de ene oogt ouderwets, de andere strak en modern. Ze dragen allemaal eenzelfde, zwart-witte kap. Ik besluit naar binnen te gaan.

De eigenaar knikt me vanachter de toonbank goedlachs toe. Voor mij doemen honderden lichten op; de verschillende lichtsterktes, tinten en kleuren vormen een explosie van licht. Het is een grote afspiegeling van wat ik in de etalage zag. De eigenaar geniet zichtbaar van mijn reactie. 

Dwars door de winkel loopt een breed pad, terwijl de lampen daarbuiten dicht op elkaar staan gepropt. Toch kan ik kleine eilandjes ontdekken in de menigte, gevormd door lampen die op elkaar lijken: kappen in dezelfde bordeaux rode kleur, exemplaren met geometrische patronen, maar ook glazen lichtbollen en fleurige lelie-achtige bloemen met kleine peertjes erin. Gloednieuwe lampen staan naast roestige, fragiele naast stevige; staande lampen, kamerlampen en hier en daar een serene schemerlamp. 

Wanneer de dominee voor de vierde keer de roeping laat klinken, begint de gemeente zichtbaar ongeduldig te worden. Je gaat je dan afvragen of niet jij wordt geroepen, of hij enkel en alleen op jou wacht. En als je dan al sterk hebt geworsteld met dat idee, is het slechts een kwestie van tijd voordat je breekt. Precies dat is waar de dominee iedere keer op hoopt: zal er iemand buigen? Het is tenslotte de bekroning van de tafel, hij kan dan een stapje terug doen, want er wordt op dat moment voor hem gepredikt. ‘God werkt, God is aanwezig; God heeft zijn zegen gegeven,’ hoor ik de dominee dan denken. ‘Mijn prediking heeft zijn vrucht afgeworpen.’ 

“De Avondmaalstafel heeft hetzelfde contrasterende effect in de kerk als de boom in het paradijs had.”

Wat volgt is een onderonsje tussen de bekeerden en de dominee over hoe goed en fijn het is om samen te zijn in het verborgene, ten aanzien van de hele gemeente, waardoor het bijna ongemakkelijk wordt voor de gewone gemeenteleden, omdat de dominee net doet alsof zij niet meer bestaan: ‘Laat het tot een aansporing zijn, gemeente!’ Als serieuze kerkganger kun je op dat moment niet anders dan een bepaalde schaamte voelen: zij wel, ik niet. 

De Avondmaalstafel heeft hetzelfde contrasterende effect in de kerk als de boom in het paradijs had. Adam en Eva mochten niet van de verboden vrucht eten omdat zij dan zouden worden verstoten. Op het moment dat zij wetenschap kregen van het bestaan van kwaad, konden zij niet anders dan kwaad doen. De boom in het paradijs vormde tussen al het goeds het kwaad, terwijl het Heilig Avondmaal tussen al het kwaad juist het goede vormt waardoor er een contrast ontstaat. Je kunt pas bekeerd worden zodra je erkent dat je verloren bent. Adam en Eva konden pas verloren gaan toen hen werd verteld dat zij in het goede leefden. Het één kan namelijk niet zonder het ander.

“Nergens wordt de twijfel benoemd van of het waarheid is wat wordt gepredikt, want het is de waarheid.”

Ik zou je de angst willen uitleggen waarin de gemeente leeft, de angst voor de dood en de eeuwigheid, voor de duivel en God; van wat zij eigenlijk niet kunnen bevatten, maar wat vanaf hun geboorte in hen is gaan rotten. Zij zitten gevangen in hun sociale kring, in hun angst voor de hel en de dominee. Zij doen precies wat er van hen wordt verwacht, namelijk: angstig zijn en angstig blijven. Hun onmacht wordt overschreeuwd door ‘stil verzet’ of juist door een zeer ijverige houding aan te nemen, alsof ze de hemel buiten de uitverkiezing om zouden kunnen verdienen. Tegen de ingeprate helbelofte kan uiteindelijk bijna niemand op. En de grootste macht van dit alles: de onwetendheid tegenover iemand die het zo zeker lijkt te weten. Nergens wordt de twijfel benoemd van of het waarheid is wat wordt gepredikt, want het is de waarheid. 

Ondertussen wordt er al voorzichtig op horloges gekeken en graait de zoveelste hand in een broekzak om nog een snoepje naar binnen te werken. Zijn er jongeren in slaap gesukkeld, nog moe van de avond drinken daarvoor, worden er door vrome moeders traantjes weggepinkt, hard in zakdoeken gesnoten en stoffen hoeden rechtgezet. 

De bekeerden delen de psalmboekjes die in stapeltjes op de tafel liggen. In de vlucht naar de tafel heeft geen van hen namelijk de tijd gehad om hun eigen Bijbeltje mee te nemen. Ter afsluiting van het formulier wordt er een onbekende Psalm gezongen, die zelfs de organist niet helemaal in de vingers heeft en wordt er, door de verwarrende wijs, net te zacht en te hoog (en daardoor vals) meegezongen. Even vormen zich daar nieuwe koppels, die: ‘Niet in de aardse, maar in de hemelse dingen zijn.’ Hun partners en kinderen kijken toe. 

In de weken daarna moet de nieuwe zuigeling zich tegenover de kerkenraad verantwoorden voor zijn deelname aan de tafel en wordt besloten of deze wel valide was, en op het moment dat hij zich dan niet uiterst nederig opstelt, zal hij worden vermaand. Mocht dat voorkomen, is de schaamte dermate groot dat hij de kerk zelf wel zal verlaten: zie daar het bewijs voor zijn ongeloof. 

Ik besluit naar de achterzijde van de lampenwinkel te lopen en betreed de verhoging. Het is hier stoffig. Mijn oog valt op een oude, statige kamerlamp met een vergeelde kap en een zwart fleur-de-lis patroon dat in diagonale banen over de kap loopt. De één van boven naar onder, de ander precies andersom, waardoor deze fleur-de-lis op kruizen lijken. Hij is veel te groot voor mijn studentenkamer. Nadat ik wat sjor aan de poot en de lampenkap eindelijk van de stolp heb gekregen, vind ik aan de binnenkant een bruin, bespikkeld prijsstickertje. Ik pak de kap en loop terug naar voren. Door de grootte van de lampenkap struikel ik bijna over het afstapje. 

‘Jongeman,’ zegt de eigenaar. Hij heeft een krom postuur en staart me over zijn leesbril aan. In de spiegelende glazen zie ik mijn silhouet afsteken tegen de lichten achter mij. 

‘Hier staat dat deze 20 gulden kost,’ zeg ik, ‘hoeveel wilt u er nu omgerekend voor hebben?’ 

‘Die is niet te koop, jongen,’ glimlacht de eigenaar. Voor hem ligt een dikke catalogus. Er staan zinnetjes bij de verschillende lampen gekrabbeld, maar hij hoefde niet te kijken. 

‘Amen,’ galmt het door de kerk. Alle mannen staan op en de dominee sluit kort af met een geïmproviseerd dankgebed. Na het zingen van een laatste Psalm, staan ook de vrouwen en kinderen op en spreekt de dominee de zegenbede uit. Terwijl de gemeente wacht op de aanzet van het orgel, verlaat de dominee in stilte zijn kansel. 

Weldra snellen de eersten terug de vrijheid in. Ze hoeven een week lang niet meer na te denken over wat ze deze zondag hebben gehoord. Buiten zetten vrouwen hun hoeden af, ontknopen mannen hun stropdas en hoor je kinderen lachen. In een mum van tijd scheuren de eerste auto’s van het kerkplein af. Zo heeft iedereen zijn uiting van opstandigheid.

“Psychologisch zit het ijzersterk in elkaar; de kerk houdt je precies daar waar ze je wil hebben.”

De kerk creëert een probleem, biedt de oplossing en draait het vervolgens om: jij moet erkennen dat jíj een probleem hebt, anders kun je er niet van verholpen worden. Het bevindelijk gereformeerde geloof schept angst voor de hel en hoop op de hemel; een hoop die ieder Heilig Avondmaal in stand wordt gehouden door de paar bekeerden die aangaan. Vanaf het moment dat zij de kerkbank verlaten, worden zij plotsklaps de belichaming van dat redding mogelijk is. 

Zodra iemand als bekeerd wordt bestempeld, wordt zijn of haar eigen kritische denken gedemoniseerd: twijfel wordt de stem van de duivel, terwijl geloofszekerheid de stem van God wordt. De twijfels die bij bekering horen zijn bij voorbaat ingekapseld in de leer en zijn onderdeel geworden van het bekeringsproces. Maar wat als het niet de duivel is die je als bekeerde aanvalt? Wat als de stem in je hoofd niet Satan is, maar je eigen geweten? 

Waar je geweten eerst juist als innerlijk kompas diende om je te beschermen tegen de zonden, wordt het je grootste vijand zodra het je eigen bekering bekritiseert. Het is als een bacterie die je eigen lichaam aanvalt. Tegelijkertijd voelt de bevestiging dat jij wel bent uitverkoren ontzettend bevrijdend; dit is wat je wilt geloven en waar je altijd op hebt gehoopt. De conditionering wint het dan van het tegenstribbelende geweten. Je hebt wat dat betreft ook een beoogde hemel te verliezen. Mocht je toch naar je geweten luisteren, wordt de bekeerde die niet langer kan geloven een zondebok en bevestigt het de ‘moeilijkheid’ van de bekering. Je moet waakzaam blijven: ‘Zie je wel? Wie zich losmaakt, gaat verloren; wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.’ 

“Ter afsluiting van het formulier wordt er een onbekende Psalm gezongen, die zelfs de organist niet helemaal in de vingers heeft.”

Ondertussen wordt de bekering vanaf de preekstoel als een soort spel met verschillende stadia en levels op tafel gelegd, zodat je als zuigeling exact weet wat de spelregels zijn. Het wordt je allemaal zorgvuldig voorgekauwd. Het ‘magische’ element van de uitverkiezing maakt de bekering mysterieus en ongrijpbaar; het is als een loterij. Weggaan en daarmee vroegtijdig je lot intrekken is geen optie, want dan wacht bij voorbaat de hel. Maar misschien, héél misschien, is er verlossing mogelijk, waardoor blijven aantrekkelijker is dan vertrekken. Psychologisch zit het ijzersterk in elkaar; de kerk houdt je precies daar waar ze je wil hebben. 

Het is negen uur. Ik dwaal al een tijdje rond op de vijfhonderd vierkante meter aan licht. Nu het buiten donker wordt, vallen binnen de lampen geleidelijk uit. Ik krijg zo langzamerhand het idee dat ik naar de antieke collectie van één of andere verzamelaar kijk die zijn lampen helemaal niet kwijt wilt. Het is alsof de helft van de zaak opzettelijk oude meuk is, waarvoor hij niet eens meer zijn best doet om ze te verkopen. Ze kunnen de jonge lichtsterktes en brandjaren eigenlijk niet meer bijbenen, maar ze blijven staan, omdat de eigenaar veel te veel lijkt te genieten van alle lampen die voor hem branden. 

Terwijl ik de eigenaar gedag zeg, draai ik me nog een laatste keer om. In de verste hoek zie ik dat de lamp die ik had losgemaakt als enige blijft branden. Hij knippert en werpt zo een sputterende schaduw op de wand. 

De toepassing
In de lampenwinkel zag ik een structuur die ik één op één over mijn oude kerk kon leggen. Een charismatische dominee die het beste met zijn gemeenteleden voorheeft, maar ze een hel en eeuwigheid aanpraat; een goedlachse winkeleigenaar en zijn oude, vastgeroeste lampen die eigenlijk geen functie meer hebben dan bij te dragen aan het volle beeld. De etalage met geselecteerde lampen die het toonbeeld vormen van de winkel zoals de bekeerden aan de Avondmaalstafel dat voor de andere gemeenteleden doen. 

“Ik zou degene zijn die door de angst heen brak op een uiterst zuivere manier; door het beest recht in de bek te kijken.”

Ik heb vaak aan het moment gedacht dat ik zou terugkeren en midden in de kerkdienst tegenover de dominee zou staan. Ik zou de knipperende lamp worden, die zonder lampenkap de winkel bescheen.

In een fractie van een seconde zou de gemeente hun blik van voren naar achteren richten. Ik zou degene zijn die door de angst heen brak op een uiterst zuivere manier; door het beest recht in de bek te kijken.

Niets van gekte kon mij worden verweten, al zou dat precies zijn wat zij mij zouden verwijten. Men zou niet de dominee afvallen, maar mij, omdat op het moment dat ze met mij zouden meedraaien zij het leven dat zij tot dusver hadden geleefd, zouden verloochenen.

Ze zouden niet luisteren, terwijl ik zonder microfoon luid en duidelijk mijn betoog hield. Nee, ze zouden me nauwlettend in de gaten houden, terwijl ik als een nieuwe zuigeling over de betegelde vloer naar voren zou lopen.

Een kind zou bezwijken onder de spanning en het op een krijsen zetten. Vlak voordat ik het podium zou bestijgen, zouden enkele vaders uit de kerkbanken opspringen en mij naar buiten dragen. De dominee zou zich schuilhouden achter de leuning van de preekstoel en wachten tot de rust zou wederkeren, om zonder blikken of blozen verder te preken.

Psalm 119:53 

Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet, 

Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren.

Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed. 

Bevestigen, in al mijn levensjaren, 

Dat ik Uw wet, die heilig is en goed, 

Door Uw genâ bestendig zal bewaren.


Jaap Blankespoor (2001) is een audiovisuele kunstenaar met sterke wortels in het schrijven. Hij studeerde in 2023 af aan de kunstacademie van ArtEZ Arnhem, daarnaast volgde hij de minor Music and Technology aan de HKU. In zijn werk combineert hij schrijven, geluid, licht en (spoken word) performance.

Volgende
Volgende

Architectuur: je vriend of je vijand?