De kunst van het vouwen

© Jonas Vermeylen (2024)

De pamper die Anna-Maria voor de vierde keer deze week krijgt omgedaan, blijft voor de eerste maal een hele nacht droog. Ze denkt aan de dood die niet mag komen. Niet tijdens haar slaap. Niet terwijl ze een luier draagt. Ze denkt aan Aude, haar op een na oudste kleinkind. Aude ziet de zaken scherp. Zij bestudeert doodgaan binnen een wetenschappelijk kader.

Toen Aude na haar eerste examenperiode in haar eerste masterjaar op bezoek kwam (Anna-Maria woonde toen nog thuis), vertelde ze over het sterven als een strikt afgebakende gebeurtenis. Zich naast haar neerzettend op het verduurde hoekje van de zetel, straalde ze een gloed uit die enkel op heel bijzondere momenten ontstaat. Zoals wanneer je snuffelend verloren een tot dan onbekend verlangen aanboort en vervolgens ook durft mee te liften, zonder je gordel vast te klikken. Haar huid lichtte op als een katvis in de Oosterschelde met een verse garnaal binnen bereik. Een lampion was haar kleindochter, met daarin een gevangengenomen vlam die rozepurper opveert na opslokking door de stratosfeer. Wat genoot Anna-Maria van de energie die vrijkwam door de ontvankelijkheid van haar vervelling. Zo trots was ze, om haar Aude te zien losbreken op het doorgezakte stukje leer dat ooit aan haar man had toebehoord.

Het overlijden van haar man bezorgde haar inzicht betreffende twee zaken. In de eerste plaats besefte ze dat liefde je naast blind ook doof maakt. Pas nu ervaarde ze ten volle wat voor pietepeuterigheden passeerden op de door hem geliefkoosde radiozender. Jan De Nul heeft niet voldoende schepen in zijn arsenaal om al de bagger uit de poelen der wanhopige radiorotaties op te diepen. Ze had haar vertrouwen in de totstandbrenging van een hoopbarende wereld onder leiding van multinationale ondernemingen hierdoor definitief opgezegd. Ze zette de radiospeler met daarbovenop een brooddoos vol versgebakken wafels voor haar deur op straat. De wafels werden uit het doosje gehaald en ter plaatste opgegeten. Mensen onderschatten de intelligentie van hun soortgenoten.

Ook Anna-Maria was daarop geen uitzondering. De stereo en het doosje stonden twee weken voor haar deur. Zij had beter moeten weten. Ze ontving een administratieve sanctie plus een bijhorende geldboete van 250 euro wegens sluikstorten. Anna-Maria liet de stereo staan en betaalde de boete een dag te laat. Ze zou de staat niet alles gunnen. Op een nacht verdween de stereo dan toch van op de stoep voor haar huis. Ze berust in het mysterie. De mens is ongrijpbaar met haar gedragingen en ontroostelijkheden. De brooddoos stopte ze uitgewassen in de kast bij de andere bewaarbakjes.

Nu haar gehoorkraan weer was opengedraaid ten aanzien van de wereld, leerde ze haar huis voor de tweede keer kennen. De kiertjes en de tochtige windstromen tussen de dakpannen, de druppelende kraan in de wasruimte, het zich krakend uitrekkende hout van het plafond in de leefruimte. Op geluidenzoektocht in de garage had ze iets gehoord dat ze maar niet kon plaatsen. Ze haalde haar oude stethoscoop van onder het stof en speurde de bestofte muren af. Plotsklaps viel haar oor op het juiste plekje. Achter de wand detecteerde ze een nest polyfoon snurkende muisjes.

Het was koud in de garage. De vroeg invallende winter verdoofde het land. Ze draaide er de verwarming voor het eerst in jaren weer open. De muisjes mochten het niet koud hebben. Ze schoof haar relax tot in de garage en installeerde een gasvuurtje waarop ze haar ketel warmde. Het kokende water goot ze bij het builtje kamille in haar kop. Ingeduffeld onder het houtgeurige bont van een van haar drie nertsmantels luisterde ze uren naar de muisjes in de holte achter haar garagemuur. Ze vermoedde een verstopt neusje bij een van de jongen en een ronkende vader met overgewicht. Mama muis was de elegantie zelve. Zij zuchtte sporadisch en gracieus. De andere jongen had ze nog niet uit elkaar kunnen halen. Ze hoopte dat ze nog lang klein zouden blijven zodat ze voldoende tijd had hen allemaal te leren kennen.

In de tweede plaats besefte ze, na het overlijden van haar man, dat haar geheugen zijn stemgeluid en klankkleur had weggewist en het voorgoed was kwijtgeraakt. In haar verzet hem zo lang als mogelijk vast te kunnen houden, liet ze zijn uitgevallen haren nog even onder het bed liggen en droeg ze zijn lievelingsdebardeur tijdens moeilijke nachten. Ze teerde op haar herinnering aan zijn sputterende lippen met zijn schurende lach. Maar waar was zijn stem, die haar buik bezwoer met zijn stokkende adem die haar hartslag deed dalen, als zij weer maar eens ongeschikt bleek voor een stressvrij leven binnen het aangeboden modern bestel. Diep in haar rommelend, de gedachten aan wat zij nog meer samen hadden kunnen doen; wat zij hem nog had moeten zeggen. Spijt is als een bananenschil altijd voor je voeten vallend, klaar om je onderuit te halen. Ze hield niet van bananen. En al zeker niet van hun schil. Uit bananenhekel besloot ze spijt geen ruimte te geven in haar leven. Dat had niets te maken met de oorspronkelijke zuidelijke kweekgebieden en hun telers. Dat wilde ze sterk benadrukken. Ze was niet haatdragend, noch koesterde ze wrok. Zij droeg de natte herfst niet in haar hart.

Om de terugkeer van de haar neerhalende schil tegen te gaan, wilde ze vanaf nu de stemmen van haar dierbaren opnemen. Ze kocht een recorder. Het eerste wat ze opnam, waren de snurkende muisjes. Ze legde de recorder iedere avond op het kussen van haar man en beluisterde onophoudelijk het geronk. Haar bed op de bovenverdieping was ijzig koud. De lakens klam. Haar tenen trokken krom als afbladderend hout van opgehokte vissersschepen in zoutkorstige dokken. De opnames van de muisjes werden haar winterzon, de opgestapelde wolken openbrekend. Ze kon al snel niet meer zonder het gesnurk slapen. Iedere ochtend nam ze de recorder van het kussen en droeg die de hele dag dicht bij haar. Klaar om nog meer uitdovend geluid op te slurpen. Zij zou niet vergeten.

Aude had niet kunnen vermoeden dat toen Anna-Maria, vlak voor zij haar zo’n twee jaar geleden binnenliet, de record-knop had ingeduwd. Te bed rustend, op de afdeling fysieke- en ouderdomsproblemen in woonzorgcentrum Japonica, duwt ze vandaag net als iedere ochtend op play om Audes opgezogen woorden koesterend te herbeluisteren.

‘Oma, dit moet je horen.’

Het leer kraakt zich in een comfortabele positie onder haar zitvlak.

‘Ik denk dat er twee belangrijke zaken zijn die ik je wil vertellen in verband met de vraag omtrent het sterven. Enerzijds wil ik iets zeggen over wat ik op de universiteit heb geleerd over de ervaring en het proces zelf. Daarnaast is het belangrijk het te hebben over het belang van een goede voorbereiding.’

Aude werpt de komende opbouw van haar verhaal gniffelend en zonder mededogen Anna-Maria’s oor in.

‘Zodra je lichaam zich klaarmaakt voor de noodzakelijke laatst te leveren inspanning van het sterven, ontvouwt zich in je hersenen een opening. Iedereen maakt het mee. Een seconde zwart en dan plots sta je daar. Pal op de top van een heuvelrug vol kattenstaart, snoekkruid en dotterbloemen. Overal rond je wikkelen eiken, beuken en lindes zich in een opzettende bries. Een boomklever hakt een honingraat van achter een inkeping in de schorslaag van de rode beuk. Een draaihals en een boomleeuwerik speuren samen naar kevers tussen het mos. Door het woud kabbelt een naar citroengras geurend beekje. Je ontblote voeten zakken enkele centimeter in het door de ochtendzon opgewarmde slijk. Het bronwater polijst de keien en kikkerdril staat in per toeval ontstane plassen op het punt massaal pootjes te vormen. Je voelt jezelf lichter worden en volgt het sliertje water stroomafwaarts. Uit het dichtbegroeide heuvelland piepen zo honderden, zelfs duizenden beekjes tevoorschijn, die alle uitmonden in een eindeloos lijkende okergroene plas, toegedekt met een slepend laagje mist. Iedere monding van zo’n beekje heeft een eigen ponton uit notelaar, net groot genoeg voor een rieten schommelstoel en een tafeltje met een opborrelende lavalamp vol ochtendrood. Plaatsnemend op de stoel hoor je het klotsen van wiegende golfjes tegen de pier. Op het moment dat je hartslag voldoende is gedaald, dobbert een door bevers uitermate keurig verzaagd en samengebonden vlot ieders eenzame haven binnen. Sturen is niet mogelijk, de route is bepaald. De eindeloos lijkende waterspiegel kent zijn bestemming.’

Meedobberend op Audes woorden, laat Anna-Maria haar blik vallen op de ingekaderde foto op het bijzettafeltje naast haar ziekenhuisbed. Omhuld in een kader van eboniet staat in de achtergrond een beverburcht, en op de oever haar man en zij. Samen. Met zijn armen om haar buik gevouwen, barstend van giechels tijdens een weekendje naar ‘La Pitchounette’ in de Hoge Venen. Zij -van tussen zijn armen door- wijzend naar een drijvend stuk berkenstam, voorgetrokken door de bouwheer zelf. Anna-Maria legt haar oor dichter bij de recorder op haar kussen. Haar kleindochter spreekt haar verder toe.

‘Het vlot blijkt leeg. De veerman heeft zichzelf, dankzij de opkomst van een nieuwe klasse van kapitaalherinvesterende doden, kunnen vrijkopen met zijn over de eeuwen heen opgespaarde fortuin. Enkele gerichte investeringen hebben hem tot een van de meest vermogende lieden van het dodenrijk gemaakt. De verdere expansie van zijn fortuin had hij te danken aan investeringen via dark pool liquiditeitsnetwerken. De koop en verkoop van aandelen kan daardoor plaatsvinden zonder dat de gegevens van de transactie worden vrijgegeven aan de omliggende markt. Schimmige zaakjes zijn het. Ondanks de niet-falsifieerbaarheid van deze theorie, lijkt het volgens mij wel een zekerheid dat de veerman niet meer op post is. Toch is de voorlopig opgemaakte balans omtrent zijn afwezigheid eerder positief. Zonder veerman ook geen gemekker van mannen op leeftijd belast met eeuwige schuld. Los van de effectieve oorzaak van zijn absentie leidde het plotse verlies van de veerman tot een breed maatschappelijk debat in het dodenrijk. Hoe zouden de stervenden dan wel begeleid moeten worden op hun tocht over de plas? Belangrijk detail om mee te nemen: de doden uit het rijk achter de beekjes en de eindeloze waterspiegel kunnen niet zelf als begeleider mee op het vlot. Hun plaats is op de eeuwige oever. Verschillende zelfverklaarde inventieve denkers kwamen met een plan op de proppen. Daarvan wil ik de drie belangrijkste gebeurtenissen in chronologische volgorde bespreken.’

Anna-Maria reikt met haar rijstpapieren handen de doos pralines naar Audes lippen. Ze moet lachen en kucht de chocolade terug de doos in.

‘Straks, oma.’

‘Ben je zeker?’

Audes doortastende blik leidt de doos terug naar het salontafeltje met daarop een laken van opengeslagen kantwerk. De pralines zullen onaangeraakt op het tafeloppervlak blijven staan.

‘Dus, in de eerste plaats werd er gewerkt met vaak slordig gemaakte wassen poppen. Dat leidde meermaals tot discussies onder de geliefden. Wie zouden ze namaken? Wie had de stervende het liefst? Hoeveel poppen kunnen mee per vaart? Ieder had een stem die gehoord wilde worden. Het zorgde voor de opbouw en import van spanningen die ze dachten achter te hebben gelaten in hun aardse leven. Om de publieke en microfamiliale orde te bewaren, werd het gebruik dan ook in stilte afgevoerd.

In de tweede plaats werd er gekozen voor het inzetten van reeds overleden huisdieren tijdens de overtocht. Dieren hadden anders dan mensen wel de capaciteiten om vederlicht te schipperen tussen de twee oevers, want zij dragen de onschuld. Toch werd deze techniek snel omstreden toen de grootouders van een overleden kleinkind besloten hun chinchilla…’

Anna-Maria duwt de doorspoelknop in. Het nare verhaal over het stervende meisje en haar chinchilla’s kan ze enkel beluisteren na het nuttigen van haar laatste maaltijd van de dag. Ze had het al weken niet meer gedaan. Ze was ook niet van plan om het vanavond wel te doen. Exact twee minuten en achtendertig seconden later duwt ze met haar duim opnieuw op de play’-knop. 

‘Ten derde, na enkele eeuwen van soortgelijke experimenten, had de invoering van een gebruik met de officieuze term ‘de overnachting’ dan toch een dominant marktaandeel kunnen verwerven. Het idee is simpel. Dierbaren die spoedig een nieuwe dode zouden verwelkomen, trekken zingend opgemaakt naar de aankomsthaven. Daar brengen ze, op het vlot dat hun geliefde zal vervoeren, samen de nacht door. Zo nestelen hun geuren zich in het hout en vormen een kussen waarop gerust mag worden. Op die manier hoeven er geen personen of dieren mee op het vlot, maar voelt de stervende zich toch het veiligst. In de armen van een verloren gewaande geur. Oma, je moet dus zeker je parfum met kardemom opdoen wanneer je de nacht op het vlot doorbrengt voor het geval ik ooit op de oever sta te wachten. Je weet wel, die in je kristallen verstuiver met pluchen drukpompje. Zeker overdadig aanbrengen als je wil. De overtocht duurt een week, dus ik wil dat de geur niet uit het hout verdwenen is voordat je me terug in je armen sluit.’

‘Zeker, lieverd van me.’

Ze pauzeert de opname. De woorden van haar kleindochter ontroeren haar. Ze denkt aan de geur van vers gemaaid gras verpakt in de zweetdruppels op haar vaders gebruinde armen en haar moeders hals van mandarijn, yuzu en Japanse citroen. Zou haar vlot naar hen ruiken? Zouden ze aan haar hebben gedacht? Haar luier is nog steeds kurkdroog. Ze bedenkt dat ze haar kleindochter best vraagt om snel nog een nieuw flesje te halen. Of is er een parfumerie aan de overkant van die mistige plas? Het zou handig zijn om daarover geïnformeerd te worden. Parfum blijft uitermate prijzig ondanks de massaproductie van het luxeproduct. Het zou zonde zijn het flesje van 149,50 euro voor niets te kopen. Ze vermoedt een probleem van monopoliekapitaal en prijszetting. De vrije markt bleek na al die jaren dan toch een illusie. En is de zevendaagse tocht op het vlot belastingvrij? Of heerst ook daar het burgerschap? Waar zal zij vrij van staatsmacht kunnen ademen? Smachtend hoopt ze op de afwezigheid van verlangensbeknottende instituties. Toch vermoedt ze het ergste. Zij weet dat kapitaal niet zonder de staat kan overleven. Dat het haar infuus nodig heeft. Haar strijd zal dan ook na haar dood noodgedwongen verder gaan. Wanneer haar kleindochter volgende keer langskomt moet ze eens vragen of ze daarover informatie kan inwinnen.

Wat is haar Aude toch pienter. Het morsige zaad van haar zoon bleek dan toch in staat tot één handeling met intelligent uitdraaiende gevolgen. Of domineert een ruileconomie het rijk van doden? Wat zou Anna-Maria kunnen omwisselen voor een flesje parfum? En wat dan met die theorie over de veerman en zijn verbond met de herinvesterende bezitters van de productiemiddelen? Als er, zoals haar kleindochter stelt, een op geuren gebaseerde herinnerings- en verwelkomingscultuur heerst, hoopt ze op een verwarde laatkapitalistische samenleving met dumpingprijzen voor luxegoederen. Je kan niet verwachten dat ze op de rug van haar zelfstandigenpensioentje zomaar de ene na de andere fles kan bekostigen. Na de meest hoogstnodige aankopen te hebben verricht, zal ze haar strijd tegen het moordende economische model verderzetten. Anna-Maria zakt steeds dieper weg in haar woonzorgcentrumkussen en duwt de opname terug aan.

‘Oma, daarnaast heb ik nog een belangrijke opmerking inzake een goede voorbereiding op het sterven. Door menig persoon niet belangrijk genoeg geacht, is de juiste keuze van outfit. Iedereen draagt in het dodenrijk voor eeuwig de outfit waarin je bent gestorven. Je bent een sierlijke, dappere vrouw. Ik wil dat je die trots verder kan zetten. Ik wil dat je je mooi voelt en krachtig. Exact zoals je nu voor mij bent. Ik ga zelf nooit onopgemaakt en in kledij die me niet doet stralen de deur uit. De dood ligt steeds op de loer. Ik ben voorbereid. Kleed je dus steeds keurig. Zie dat de mensen je nakijken op straat. Ook wanneer je gaat slapen. De dood kijkt altijd mee vanuit je kleerkast. Wil je ook een glaasje water, oma? Ik ga even naar de keuken.’

De tape springt af. 

Anna-Maria spoelt de band terug en legt de recorder onder haar kussen. Klaar om morgen opnieuw te luisteren. Aude is al twee weken niet op bezoek gekomen en zij ligt met pamper en een kleed met open rug in haar ziekenhuisbed op de afdeling fysieke- en ouderdomsproblemen in woonzorgcentrum Japonica. De opgenomen woorden van haar kleindochter zijn dorre stapels dennenhout op de in haar borst aanwakkerde vuurzee.

Anna-Maria heeft de afgelopen vier nachten geen oog dicht gedaan. Wanneer ze slaapt kan ze de dood niet in het oog houden. Ze moet wakker blijven tot iemand haar uit haar luier licht. Ze kan niet sterven in dit boetekleed met daaronder haar lichaam verpakt in een niet-recyclebaar lendendoek. Ze heeft verpleegsters Yousra, Gerda, Arunima, Johanna en verpleger Mike al gesmeekt om de pamper niet meer om te doen. Hiermee kan ze het vlot niet op. Dat moeten ze begrijpen. Ze zal het bed wel zelf verschonen. Of kan ze een fooi geven? Ze heeft hiervoor gespaard. Hoeveel briefjes van vijf per niet opgehouden plas? Haar zelfstandigenpensioen zal in oplopende schijven van betaling naar hen vloeien. Zolang ze maar keurig gekleed en opgemaakt te slapen gaat. Ze moeten haar blos en lippenstift opdoen. De regionale regering moet dat in haar beleid opnemen. Zolang de christendemocraten aan de macht blijven, zal dat niet kunnen. Zij hebben hun strijd tegen de heiden niet verleerd. Of is de rivier waarop het vlot vaart er een van gewijd water? Dat moet ze eens navragen bij haar kleindochter. Ze wil niet knielen voor ongeschoren goden. Dat heeft ze lang genoeg gedaan. Zonder blos en mantelpak baadt ze onaangepast verder in plassen van onbehaaglijkheid en gêne.

Schaamte bestaat uit een onopgemaakte dame die met volle pamper en losgegespte borsten de dodenoever opklautert. Schaamte is het niet loskrijgen van luierplakband. Schaamte is invallend licht op een spiegeloppervlak. Schaamte is de eerste blik van haar kleindochter wanneer zij haar opwacht bij de oever. ‘Ik had het toch gezegd,’ zou ze zeggen. ‘Ik weet het lieverd,’ zou ze antwoorden. ‘Ze hebben niet naar me geluisterd.’

‘Oma?

Oma? Ben je wakker?’

Aude schaatst de dubbele overtrekgordijnen in rustpositie tegen de muur. Binnenvallend wit licht ontvreemdt pigmentkorrels uit het familieportret boven de televisie. Anna-Maria had gekozen voor een fotokader zonder UV-werend glas. Ze wilde de zon niet beknotten, met al haar doorstotende verlangen. Of lag het aan haar gedaalde koopkracht sinds de indexsprong ook was doorgevoerd op haar reeds karige zelfstandigenpensioen? Ze zou liberalen haar hele leven consistent blijven vervloeken. De mensen op de foto zullen snel hun kleur verliezen.

‘Aude?
Ben jij dat?
Ik moet in slaap gevallen zijn.
Ik zie er niet uit.’

Aude klikt de beschermende aluminium cilinder aan de zijkant van het bed open en zet zich naast haar op het laken.

‘Goed als je uit bed komt? Ik wil je iets laten zien.’

Anna-Maria neemt de kamer in zich op. Trillend licht maakt de selectie mee naar het woonzorgcentrum verhuisde meubels onscherp. Naast het bed staat een rolwagen. Had ze een rolwagen? Het doet haar twijfelen. Op het zitvlak ligt een goedkoop plastic zwart vierkant met een hart van ingelegde glittersteentjes. Daarop een etui en beschermhoes waar keurige dames overjassen en mottenballen in bewaren.

‘Ik heb iets bij voor jou. Maar eerst uit bed dus.’

‘Je gaat me wel een beetje moeten helpen.’

‘Daarom ben ik hier.’

Anna-Maria recht haar rug -haar ontblote lijf met luier. Ze verbijt haar schaamtranen.

‘Het is oké, oma.’

Anna-Maria wikkelt haar arm om Audes hals en draait haar beide benen vanonder de lakens uit. Een diepe adem. Rechtop klauterend, krachtig broos als een dichtvriezend laagje ijs op de tinnen emmer in de tuin van haar ouders. 

Daar staat ze dan.

Het laminaat kleeft zich vast aan de bal van haar voet.

‘Ik zit met die vervloekte luier. Ik krijg die zelf niet uit. Duw even op de bel naast mijn bed.’ Aude neemt haar hand vast.

‘Dat hoeft niet. Ik ga je helpen. Kom we gaan even naar de badkamer.’

De badkamerspiegel toont laaghangende mondhoeken en een paar azuurblauwe irissen. Anna-Maria maakt haar handen tot schaaltjes en huilt ze vol terwijl Aude de kleefband voorzichtig lostrekt. Ze streelt haar oma’s rugplooien terwijl ze haar lichaam bevrijdt van haar lenden. Tranen uit Anna-Maria’s overstromende handkommetjes druppelen ritmisch tegen de badkamertegels. Aude slaat een opgewarmde handdoek vanop de chauffage om haar heen.

‘Zo, dat is voorbij.’

Aude verlaat de kamer en navigeert de rolwagen tot in de badkamer.

‘Ik heb het mantelpak dat je droeg op mijn eerste communie wat laten innemen. Ik ben het vorige week gaan ophalen.’

Anna-Maria ziet het tabaksbruine katoen tussen de halfgeopende rits zitten. Ze leegt haar kommetjeshanden in de wastafel. Aude dept haar wangen droog. Samen wikkelen ze de kleren rond haar lichaam. Ze zwijgen, gniffelen, giechelen, strompelen over het mantelpak met zijn voering en knopen. Eerbiedig zijn ze voor elkaar, teder, buigzaam als gracieus wuivende treurwilgtwijgen. Aude kamt haar uitgedunde witte haren, die opveren als zonnebloemen op een nazomerochtend. Het mantelpakje zit als gegoten. De plooien vallen keurig neer. 

Het doet Aude terugdenken aan hoe Anna-Maria haar inwikkelde toen ze als tiener bij haar ging logeren. Met haar knarsende pufferige knieën kwam ze steeds nog even de trap op om haar kleindochter een goede nacht te wensen. Steevast gepaard gaand met een tweeledig ritueel van eerst een plofzoen en daarna de totale ontneming van enige bewegingsvrijheid door de lakens aan het eind van het bed nog eens goed strak onder de matras te stoppen. Het was absoluut vakwerk, vele jaren nauwgezet uitgevoerd. Een geperfectioneerde demonstratie van de kunst van het vouwen. Het eerste wat Aude deed wanneer Anne-Maria de kamer buiten ging, was dat laken onmiddellijk van onderuit de matras trekken. En toch keek ze iedere keer uit naar dat moment. Wetende dat haar oma het de volgende keer dat ze bleef slapen opnieuw zou doen als bewaker van de afgrond aan de rand van haar bed. Nu staat Aude op haar beurt met opgetrokken schild aan haar bedrand; haar lijf en last torsend, steeds plooiend -die ene stap verder; een laatste vouw.

‘Zet je even neer. Ik ga je opmaken.’

Ze opent het zwarte plastic doosje. Pigment in alle kleuren geordend volgens lichtinval. Dwangmatig maar vol liefde waaiert Aude haar oma vol kracht en zachtheid met haar borstels en poeders en sponsjes. Hun beide lippen stift ze zo rood als een gekookt kreeftje. Ze puft de geur van parfum doorheen de kamer en verstuift sprankelend een warme wereld over allebei hun lichamen. Aude drapeert oma’s akoyaparels rustend rond haar hals. Een harpvormige ketting met een toermalijn smelt samen met het mantelpak. De broche van een gouden twijgje met appelbloesems, die nog van Anna-Maria’s moeder is geweest, klikt zich stevig vast tegen haar borst. Finaal schuift ze haar gouden trouwring naast de dubbele ringen met rozenkwarts rond haar gekloofde handen.

‘Zet je even in de rolwagen. Wij gaan naar buiten. De eerste sneeuw is gevallen.’

Ze duwt de wielen in beweging. Aude haar troeteljong. Het voorste wiel van de rolwagen flappert losgeslagen tijdens de tocht door het gangenstelsel van woonzorgcentrum Japonica. Geen rokers voor de ingang vandaag. De automatische schuifdeur opent zich.

‘Toen ik de eerste sneeuwkristallen zag neerkomen ben ik onmiddellijk naar hier gekomen.’

Natte vlokken dwarrelen neer op Anna-Maria’s opgestoken haren. Aude draait een muts van vossenbont rond haar oma’s grote oren. 

Wat houdt Anna-Maria van sneeuw.
De rode blos van samentrekkende bloedvaten.
Het dronken topje van haar neus waggelend naar de buffetkast voor een glaasje porto.
De sneeuwstormvlokkenpels van de hond uit haar jeugd met vochtige snoet en slaphangende oren.
De dempende stilte van al dat wit. 

De sneeuw is een stofzuiger met een buikje vol overtollig rumoer. Anna-Maria grijpt Audes hand stevig vast, rustend op de vossenstaart die haar schouder siert.

‘Ik wil nog even naar de vijver, lieverd.’ 

Aanvriezende sneeuw kraakt beminnelijk onder de wielen van de rolwagen. Rode pluizenstaartjes stuiteren over het witte grasperk aan de waterkant. Anna-Maria gebiedt Aude te stoppen.

‘Help je me even recht?’

Ze veert op uit de rolstoel, haar arm in Audes elleboog gehaakt. Oplaaiende windstoten smeren witpoederige vlokken over hun verstilde gezichten. Anna-Maria’s make-up, mantelpak en ringen zitten stevig vast. Ze kijkt haar kleindochter aan met haar irissen vol mediterrane kusten en om hun as tuimelende zeepaardjes. 

‘Het is tijd.’

Anna-Maria laat minzaam Audes arm los. 

Vallende vlokken wassen de uitgekerfde valleien van achtergelaten voetstappen behoedzaam weg. Warme tranen banen zich een weg over Audes kreeftroodgestifte lippen.

De sneeuw zou de hele week blijven liggen. 


Lander Govaerts (hij/hem) is schrijver en gewezen onderzoeker naar de relatie tussen politietechnologie en de reproductie van de kapitalistische sociale orde. Zijn proza is gedreven door de vraag wat er over is van menselijke relaties en het innerlijke leven in een door kapitaal gedomineerde wereld. Hij onderzoekt daarbij hoe mensen zichzelf permanent herscheppen in een poging ruimte te kunnen bezetten. Zijn werk focust op de (on)mogelijkheden van het verlangen naar verbinding. Lander woont en werkt in Brussel. 


Jonas Vermeylen (23) is een gepassioneerde fotografie student aan Sint-Lukas Brussel, waar hij zich toelegt op het verkennen van de grenzen van analoge fotografie. Zijn werk kenmerkt zich door een sterke focus op experimentatie, waarbij hij speelt met traditionele technieken, belichting en het fysieke materiaal van film. Jonas zoekt voortdurend naar nieuwe manieren om beelden vast te leggen en te manipuleren, waardoor zijn foto's een unieke, vaak dromerige of vervreemdende kwaliteit hebben.

Vorige
Vorige

Why I Still Believe in Magic 

Volgende
Volgende

A Way of Saying Goodbye