Eksterkind
I.
Als kind van een jaar of zes, zeven — hij woonde toen nog bij zijn grootvader — blonk Floris zelden in iets uit. Hij kon zijn naam niet schrijven en had moeite met rekenen. Toch wilde hij ergens in uitblinken, al was het maar om het getreiter van zijn klasgenootjes de kop in te drukken. Hij besloot raad te vragen aan zijn grootvader. Floris keek op naar de oude man, hij bewonderde hoe hij zijn krant in de ochtend las, hoe hij met een tractor en ploeg de aarde omwoelde, hoe hij de dorpelingen in de straat vriendelijk groette. Zijn grootvader stond in de serre de druivenranken te snoeien toen Floris hem vertelde dat hij geen talenten had. Zijn grootvader draaide zich om en keek hem met een ernstige blik aan.
“Wie zegt dat?” vroeg zijn grootvader.
Floris stem begon te trillen. “Iedereen heeft talenten, maar waarom heb ik er geen?”
Zijn grootvader zette de spade neer en ging wat rechter staan.
“Wat vind je leuk om te doen, ventje?” vroeg hij met een zachte glimlach.
Floris keek op. “Schattenjager,” antwoordde hij. Hij had in een boek gelezen over verborgen schatten en droomde ervan ze te vinden.
Zijn grootvader knikte langzaam, alsof hij het zich probeerde voor te stellen. “Schattenjager, hè? Dan moet je leren zien.”
Floris fronste. “Wat bedoel je?” vroeg hij.
Zijn grootvader tikte met een vinger op de rand van zijn hoed en keek om zich heen. “Hier is al genoeg te ontdekken, als je het wilt zien.”
“Zoals wat dan?” vroeg Floris, nieuwsgierig geworden.
“Kijk eens rond.” Een glimlach gleed over zijn grootvaders gezicht. “De grootste schatten zijn vaak dichterbij dan je denkt.”
Diezelfde avond zat Floris op zijn kamer en keek zichzelf in de spiegel aan. Hij besloot zijn grootvader te gehoorzamen. Hij raakte bezeten door het idee dat hij alles in de tuin moest registreren. Alleen als hij zou leren om opmerkzaam te zijn, zou hij schattenjager worden.
Floris haalde een paar schriften van zolder en besloot zijn observaties nauwkeurig bij te houden. Iedere dag ging hij bij de vijver zitten, een plek vanwaar hij een weids uitzicht had over de tuin. Aan de linkerkant de serres, aan de rechterkant de boomgaard en iets verderop de sparren. Als er een molshoop werd gegraven, wilde hij dat zien gebeuren. Hij wilde zien hoe de aarde stukje bij beetje naar boven werd geduwd. Als er een vogel neerstreek in de boomgaard, wilde hij weten welke het was, wat die at en wat voor geluiden die maakte.
Later raakte Floris gefascineerd door een groepje eksters. Rond de middag richtten zijn ogen zich niet op de sparren iets verderop, maar fixeerde zijn blik zich op de blauwe lucht boven hem. Vanaf de horizon zag hij hoe de vijf zwarte stipjes zijn tuin naderden. Ze landden eerst in de kruin van de lindeboom, om niet veel later neer te strijken in het ongemaaide gras.
Floris verstopte hier en daar walnoten in de tuin, in de hoop de eksters beter te kunnen zien. Telkens op dezelfde plekken, aan de voet van de perelaar, onder de glijbaan, bij de hoog opgeschoten taxushaag. Elke keer weer moest hij grinniken als de vogels de verkeerde kant opgingen, driftig pikkend naar iets eetbaars maar alleen kiezels en wormen tegenkwamen.
Floris vond troost bij de vogels, hij vond dat ze in hoge mate op mensen leken – tweevoeters met ronde koppen en naar voren gerichte ogen. Hij zag hoe ze door de tuin huppelden, zongen, vochten, elkaar het hof maakten. Hij kon zich inleven in hoe ze hun dagen indeelden. De eksters waren een zekerheid voor hem, altijd zichtbaar en hoorbaar op de meeste uren van de dag. Hun aanwezigheid stelde hem gerust en telkens als ze door het gras dartelden, leek het alsof hij begreep waarom ze iedere dag in zijn tuin verschenen.
II.
Op een dag landde een van de eksters op nog geen meter van Floris. Hij verstijfde terwijl hij de vogel zo goed mogelijk in zich opnam. De zwarte ogen van de ekster, niet veel groter dan twee speldenknopjes, haakten zich vast aan hem. Gedurende een paar seconden keken ze elkaar aan, als twee oude geliefden die elkaar na lange tijd weer zien. En toen gebeurde het, in dat roerloze moment van die zomerdag knapte er iets in Floris, hetgeen wat hij zag was zo puur, zo zintuiglijk, dat de wereld zichzelf even leek te ontmantelen.
De ekster verdween. Pas toen durfde Floris met zijn ogen te knipperen, en daarmee was ook de betovering van het moment verdwenen. De tuin viel terug op zijn plaats, de hemel schoof terug aan hem voorbij, en daar zat hij, wachtend tot de vogel terug zou komen. Maar hij liet zich niet meer zien.
Floris dacht vaak terug aan dat ene moment waarop hij zich zo diep verbonden had gevoeld. Hij wist dat eksters goede schattenjagers waren en hij fantaseerde dat hij met de vogels kon praten. In zijn verbeelding vertelde de ekster hem dat hij moest leren vliegen. Naarmate de dagen verstreken, was het voor Floris meer een noodzaak dan een keuze te voelen. Door te leren vliegen, zou hij zich op elk moment kunnen onttrekken aan alles wat hij zo goed kende. Hoe zouden zijn klasgenootjes reageren als hij klapwiekend de speelplaats zou verlaten? De pestkoppen zouden met open mond naar de hemel staren.
Leren vliegen zou natuurlijk enige oefening vergen. Floris haalde een zwart laken van zolder, licht genoeg voor zijn eerste vlucht. Met de precisie van een koorddanser ging hij op de stoel staan. Langzaam strekte hij zijn armen uit, het laken keurig over zijn schouders gedrapeerd. Met beide uiteinden van het laken in zijn klamme handpalmen sprong hij van de stoel, terwijl hij zijn armen op en neer bewoog. Dagenlang bleef hij oefenen, telkens met een vurig gefladder neerkomen. Zijn grootvader roemde hem om zijn doorzettingsvermogen, om zijn onmetelijke verlangen om te kunnen vliegen.
Naarmate de weken verstreken, vlakte het enthousiasme van Floris af. De verslagenheid groeide en vermengde zich met de ijle lucht in de kamers van zijn ouderlijk huis. Langzaam vergat hij hoe hij moest leven, hoe zijn toekomstige dagen eruit zouden zien. Hij wilde leren de dingen te zien, maar bovenal wilde hij gewoon een mooie vogel zijn. Hij was ontroostbaar.
Floris begon te dromen dat hij een ekster was. Hij hield van de mysterieuze avonden waar hij vergleed in een lange, zorgeloze slaap. In zijn dromen zag hij hoe zijn tengere armen in vleugels veranderden, hoe zijn benen poten werden en hij een lange pluimstaart kreeg. Eindelijk was hij een ekster. Nachtenlang zweefde hij over het dorp waar hij opgroeide, en hij vond het heerlijk. Het kwam Floris voor als een vorm van zien waar je moet loslaten, waarin je de vleugels uitslaat en niet meer hoeft terug te keren. Tijdens zijn vlucht zag hij de kronkelende straten en de veelkleurige huizen waarlangs hij dagelijks fietste.
III.
Hoeveel jaren zijn er vervlogen sinds het eksterjaar? Meer dan twintig, misschien vijfentwintig. En toch, als Floris zijn ogen sluit, is hij weer die jongen in de tuin. Hij ziet zichzelf van de oude houten stoel springen, met een nieuwsgierigheid die hem naar de lindebomen dreef, naar de plek waar de eksters zich verscholen. De tranen vormen zich aan de rand van zijn ogen, maar hij verbijt ze. De melkachtige vellen voor zijn ogen vertroebelen zijn zicht, hij ziet steeds minder. Floris kijkt steeds vaker met zijn oren en zijn handen. Hij bevoelt de schors van de bomen, streelt het glas van de serre waar zijn grootvader de druivelaar snoeide, wroet met zijn handen in de vochtige aarde. In de verte hoort hij het milde gekrijs van eksters.
Wat zou hij zo graag alles weer willen zien. Zijn blindheid maakt zijn hart zwaar van verdriet, het maakt hem ontroostbaar. Maar in het donkerste uur van de weemoed klampt Floris zich vast aan zijn dromen. In zijn slaap vliegt hij over het dorp, de school, de kerk, de boerderijtjes. Roerloos drijft hij op de wind, gedachteloos en vederlicht. Van om het even welke hoogte ziet hij zijn wereld, zijn toevluchtsoord, zo hoog als een ekster vliegt.
Hannes Cools is onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Naast onderzoek naar de relatie tussen mens en technologie, schrijft hij af en toe (kort)verhalen. Hij is gefascineerd door het alledaagse, het banale dat tegelijk prachtig en tragisch kan zijn. Zijn werk verkent vaak hoe kleine, ogenschijnlijk onbeduidende momenten een diepere betekenis kunnen krijgen door de manier waarop ze worden ervaren.